Simon(e) van Saarloos: Urning for Everyone

Essay 
Geplaatst:

Voor de tentoonstelling Urning & Urningin. Language and Desire since 1864 vroeg gastcurator Philipp Gufler drie schrijvers om te reflecteren op het nalatenschap van Karl Heinrich Ulrichs: Simon(e) van Saarloos, Hendrik Folkerts en Gürsoy Doğtaş. Je kunt ze hier lezen, of in ons tentoonstellingszine Nesting Habbits.

Door
  • Simon(e) van Saarloos

Urning for Everyone

Karl Heinrich Ulrichs wordt gevierd als een soort grootvader van Europese homo’s, zoals Sappho de oermoeder is voor veel Europese lesbiennes. Waar Ulrichs in de jaren tachtig (uiteraard onterecht) door activisten werd bestempeld als de eerste homoseksuele man uit de wereldgeschiedenis, wordt Sappho vaak opgevoerd als de eerste gedocumenteerde lesbienne. In zijn negentiende-eeuwse werk stelde Ulrichs al dat queerness natuurlijk en aangeboren was, lang voordat neurowetenschappers in de jaren negentig het idee populair maakten dat seksuele oriëntatie in de hersenen verankerd en voorbestemd zou zijn. Degenen die op het Griekse eiland Lesbos wonen – waar Sappho tussen ongeveer 610 en 570 v.Chr. geboren werd en leefde – heten Lesvians. Lesbiennes zijn al eeuwenlang trotse Lesbians (met hoofdletter L!) vanaf geboorte.

Op Lesbos maak ik een wandeltocht met de regisseur van de documentaire Lesvia, die de komst volgt van de vele lesbische toeristen in de jaren zeventig in het dorp Eressos, en de manier waarop zij samenleven – en botsen – met de lokale bevolking. Terwijl ze naar de ‘borstvormige’ berg wijst (die me doet denken aan de ‘clitorisknop’ in Bernal Heights, San Francisco’s lesbische wijk – een vrouw en een prachtig landschap zijn tenslotte ook altijd plekken om op te trappen), zegt ze: ‘Iedereen wil een stukje van Sappho. Toeristen, bewoners, historici, dichters, verschillende generaties lesbiennes en dykes: ze hebben haar allemaal nodig om te zijn wie zij willen dat ze is.’

‘Ja’, gaat ze verder, ‘er zijn feiten: Sappho kwam uit een aristocratische familie, ze had slaven, dat weten we, maar je moet haar leven begrijpen in haar eigen tijd.’ De groep knikt overtuigd. Ik besluit om weg te lopen. Niet omdat ik vind dat Sappho geen platform meer moet krijgen omdat ze was wie ze was in haar tijd, maar omdat ik vraagtekens zet bij het defensieve idee dat wij een tijd zouden kunnen begrijpen die zogenaamd moreel specifiek is, terwijl we haar toch comfortabel vanuit de toekomst definiëren. Ik kan me niet aansluiten bij een koor dat een historische figuur lijkt te beschermen tegen zogenaamde hedendaagse opvattingen – zeker niet omdat die opvattingen in het hier en nu zelf ook bestreden worden als killjoy. Het is makkelijk voor te stellen dat tegengestelde ideeën uit het verleden de uitroeiende krachten van selectieve archieven niet hebben overleefd.

Misschien heeft mijn stille vertrek ook te maken met het feit dat ik de enige ben die daar als man wordt gezien. Natuurlijk: masculiene, off-center vibes zijn overvloedig aanwezig in deze lesbische groep, maar mijn hormonale transitie heeft me qua uiterlijk op een soort blonde surferjongen doen lijken, en ondanks mijn Urning-gebaren en Babygirl-spinsels is het de jongen – en alleen zijn verschijning – die men ziet. De mogelijkheid om de onmogelijkheid te waarderen om echt dicht bij Sappho te komen, terwijl je haar alleen kunt kennen via je eigen kader en verlangens, raakt voor mij aan de waardering van de onmogelijkheid om tegelijkertijd een pussy én een cock te hebben. Liefde voor onmogelijke combinaties is een verworven smaak, en op dit eiland wordt een dickgina slechts door sommigen gewaardeerd. Dit is geen kritiek op lesbisch separatisme. Elk separatisme rafelt aan de randen, en aan rafelranden wil altijd iets trekken, hoe voorzichtig dat ook moet. Het kan frustrerend zijn je op laaghangend fruit te richten, maar als je met genoeg passie plukt, groeit het pas volgend seizoen terug.

Karl Heinrich Ulrichs, cover van het magazine Uranus, gepuliceerd in 1870.

Mijn waardering voor onmogelijkheid – de onmogelijkheid van ‘meer en meer’, zoals transleven dat soms toont, of ‘het specifieke spel in de ruimte van onmogelijkheid die zwartheid is’ – gaat over het lezen van historische figuren.1, 2 Figuren zoals Karl Heinrich Ulrichs, figuren zoals Sappho. We verlaten het archief (zoals ik de tour verliet) niet omdat het onmogelijk is.

Het is op Sappho’s eiland dat ik de meer dan achthonderd pagina’s van Ulrichs’ Onderzoek naar het raadsel van de liefde tussen mannen lees. Het is op dit eiland dat ik twaalf euro per uur betaal om te sporten met een personal trainer – een luxe die ik nergens anders kon veroorloven. Hij is even lang als ik, maar tweemaal zo breed; zijn spieren zwellen uit elke hoek. En hij is ongelooflijk vriendelijk, zelfs teder. Tijdens een van onze eerste sessies vraagt hij naar de littekens op mijn borst. Wanneer ik vertel dat ik trans ben, reageert hij zoals iedereen in de gym: hij zegt dat ik zo sterk ben, dat je het nooit zou weten. Men weet niet dat, om Ulrichs te citeren: ‘Zelfs al heb ik een mannenbaard, ledematen en lichaam ... ik ben en blijf een meisje’, en daar ben ik trots op.3

De trainer vraagt zich af of hij misschien naar de VS moet verhuizen om daar atletisch te kunnen meedingen. Wanneer ik hardop peins over hoe het daar nu moet zijn, gezien Trump en de greep van het fascisme op het dagelijks leven, knikt hij begrijpend. Hij laat me foto’s zien van mogelijke kapsels, bezorgd over zijn terugwijkende haarlijn. Hij trekt zijn haar omhoog en ik bestudeer zijn voorhoofd van dichtbij. Ik vertel hem dat mensen in de VS medicijnen slikken voor vrijwel alles – ook voor kaalheid. Hij vraagt me om informatie te sturen over die pillen, en zo beginnen we elkaar te volgen op Instagram. Wanneer Charlie Kirk wordt doodgeschoten, plaatst de trainer een video waarin hij Kirks heldhaftigheid prijst. Hij deelt ook posts waarin Trump waarschuwt voor de ‘verwoesting’ door immigranten.

Vanaf dit eiland schrijf ik dit, niet ver van de plek waar Sappho naar verluidt van een klif sprong, uitkijkend over de Egeïsche Zee. De rots die ik zie moet haar laatste uitzicht zijn geweest. Hij ligt een paar honderd meter uit de kust, op vijftien minuten zwemmen. Maar mijn zwemvaardigheid is slecht en ik doe er veel langer over. Als kind haatte ik de verplichte zwemlessen in Nederland. Om mijn transitieverhaal te laten kloppen heb ik mijn afkeer voor zwemmen gereconstrueerd als een gevolg van het dragen van een badpak, maar in werkelijkheid herinner ik me vooral die ene keer dat mijn moeder mijn badpak was vergeten (een moeder is tenslotte ook altijd een plek om de schuld neer te leggen), en ik een korte broek uit het gevonden voorwerpen-kastje moest dragen. Terwijl we wachtten op het fluitsignaal van de coach vroegen klasgenoten mij of ik een jongen of een meisje was. Met mijn korte koppie en mijn wijde kleding was ik altijd zo erg een jongen – zelfs op vakanties maakte ik nieuwe vrienden alsof ik er één was – maar deze bijna-naakte situatie voelde ontstellend. Misschien was het probleem dat ik die shorts uit noodzaak moest dragen, en gender uit noodzaak werkt bij mij nooit.

Ondanks mijn slechte zwemskills heb ik moeite gedaan de rots te bereiken, omdat een lokale legende zegt dat wie hem aanraakt, homo wordt. De magie van de rots is bewezen bij benadering, want de meeste mensen die naar Lesbos komen zijn sowieso al homo. Maar ik geloof in de rots, zoals ik in vuur geloof. In pogingen mijn ervaringen met seksueel misbruik op jonge leeftijd te begrijpen, zie ik zowel de gebeurtenis, mezelf, de dader, de wond, de verstrengelde dans van pijn en genot, als vuur. Niets blijft hetzelfde wanneer het door vuur wordt aangeraakt. Maar de aanraking verkleint ook de afstand tussen twee elementen: wie door vuur wordt geraakt, wordt deels ook zelf vuur. Zoals alles wat in ons binnendringt – of we het nu toxisch noemen of niet – ons verandert; we worden het, onafscheidelijk verbonden en mee-gecreëerd.

Wat ik mooi vind aan het idee van de rots als een ‘gay-making’ entiteit heeft dan ook weinig te maken met ecoseksualiteit of het vieren van de kracht van de natuur. Wat ik waardeer aan de rots als magische homo-besmetter, is de (on)mogelijkheid om seksualiteit niet langer te zien als iets inherents of individueels. Het is een wrijving, een aanraking, een geloof, een mythe. Het is niet, zoals Ulrichs betoogde ter verdediging van de rechten van Urnings en Urnigins, onze persoonlijke natuur. Ik bedoel ook niet te zeggen dat het pure natuur is. Ik wil helemaal niet betogen over het bestaan van queerness! Niet bij pinguïns, niet bij zeepaardjes, niet in antropologische vondsten of historische reconstructies. Geïnspireerd door Ulrichs’ etymologische verwijzing naar de planeet Uranus, wil ik het idee van queer zó ver buiten onszelf plaatsen dat het geen verdediging meer nodig heeft. Ik verbeeld me een bestaan zonder verdediging. Het bestaan van gay omdat een rots er al eeuwen ligt. Omdat vuur brandt. Omdat toxines in ons binnendringen en wij toxisch zijn. Omdat de wereld viraal en besmettelijk is. Ik verlang naar een gay die niet gelukkig of specifiek hoeft te zijn, een trans die geen boek of dossier nodig heeft. Een queer dat vrij leeft, omdat een rivier en een zee elkaar nabij kunnen houden zonder illegale bezetting.

Ik ben naar dit eiland gekomen vanaf een ander eiland, Turtle Island, beter bekend als Noord-Amerika. Toen ik daar arriveerde, verloren de vrienden bij wie ik logeerde hun kleinkind: hij probeerde zijn klasgenoten neer te schieten en nam zijn eigen leven toen de politie arriveerde. Deze specifieke school shooting kreeg nauwelijks aandacht in het nieuws, omdat Charlie Kirk diezelfde dag werd gedood terwijl hij werd geïnterviewd over het aantal massaschietpartijen in de VS. Om onszelf af te leiden, speelden we een potje hints. We waren giechelig, de lucht dik van wanhoop en van het troostende gevoel samen betekenis te creëren. Ik was aan de beurt om te gebaren terwijl de anderen moesten raden. Ik trok een boek uit de hoed vol referenties: Just Kidsvan Patti Smith. Ik begon met het tweede woord – kids –, ging op mijn knieën en maakte speelse geluiden. Het duurde even voordat mijn vrienden stopten met raden: ‘drag’, ‘gay’, ‘een hitsig dier’ en uiteindelijk ‘kids’ riepen. Daarna deed ik alsof ik geblinddoekt was en twee weegschalen vasthield. Om tot het woord ‘just’ te komen, imiteerde ik Vrouwe Justitia. Maar hoe ik ook met de denkbeeldige schalen zwaaide en de blinddoek benadrukte, ‘justice’ werd niet geraden. Misschien is Vrouwe Justitia inmiddels ook een historisch figuur, te ver verwijderd van de huidige Amerikaanse situatie om nog dienst te doen als referentie in een spel. Om zowel ‘kids’ als ‘just(ice)’ uit te beelden, had het waarschijnlijk het meest voor de hand gelegen als ik een pistool had nagedaan.

Wat mij hier interesseert, is niet om de VS af te schilderen als een treurige plek, een ground zero tegenover Europa’s morele bodem. Ik ben geïnteresseerd in de totale uitwissing van rechtvaardigheid zoals wij die kennen. Wat zou Ulrichs – een jurist die het Duitse Juristencongres toesprak om queer leven te verdedigen – geschreven hebben over Urnings en Urnigins, wanneer het niet bedoeld was als verdediging van hun wettelijke rechten? Als we niet afhankelijk waren van een rechtssysteem dat ons kan erkennen of vernietigen, wat voor Urning-leven zouden we dan hebben leren kennen?

Intussen beweert Trump dat ‘the Left’ transgender voor iedereen wil. Was het maar zo. Ik wou dat we zo’n linkerzijde hadden. Ik herken een soortgelijke verwachting en hunkering naar besmetting bij Ulrichs wanneer hij de statistieken van gay leven bespreekt: ‘de verhouding van volwassen Urnings tot volwassen mannen is 25.000 op 12.500.000, ofwel 1 op 500.’ En hij merkt een snelle toename op: ‘het aantal Urnings neemt voortdurend toe.’4 Deze verwachte toename is uitgekomen, maar we zitten nu al een tijd vast op 10%. Zulke statistieken proberen ons discursief in te kapselen, maar wij die door steegjes dwalen, de downlowsontmoeten en de honger van de flexibelen voeden – wij weten dat die berekening niks betekent.

Ik kies ervoor om in Ulrichs’ beschrijving van de Urning en diens relatie tot vrouwen een besmettingsstrategie te zien, die anders klinkt dan zijn lof op vrouwelijkheid. Wanneer hij schrijft dat de Urning ‘geboren is om mannen lief te hebben en door vrouwen wordt vervuld van afschuw’, zie ik (kies ik te zien) een strategie gericht op hetero (Dioning-)mannen.5 Door de veronderstelde afkeer van vrouwen als een typisch homoseksuele eigenschap neer te zetten, beweegt Ulrichs richting datgene wat heteromannen altijd al bindt: vrouwenhaat, hoezeer zij vrouwen ook begeren. Als mannenliefde en afschuw van vrouwen een kenmerk van homoseksualiteit zijn, dan zijn heteromannen eigenlijk al halverwege. Door te focussen op de liefde van de homo voor mannen en zijn afkeer voor vrouwen, maakt Ulrichs van heteromannen eigenlijk al gays – een propagandistische besmettingsstrategie. Dit is wat ik een queer lezing van het archief noem: niet door historische figuren te zoeken die queer waren of aan queer gelieerd, maar door queerness op alles te drukken wat ik tegenkom. Het is een zelfobsessie die zo alomtegenwoordig wordt dat de aandacht voor het zelf bijna oplost, en trans en queer veranderen in een overal-besmettelijkheid.

Als ik van Trump kan krijgen wat ik nodig heb (‘transgender voor iedereen’), kan ik dat ook van Ulrichs krijgen. En ik hoop dat jij dat ook kunt.

1 ‘More and more’ verwijst hier naar een getranscribeerd gesprek tussen psychoanalytici Avgi Saketopoulou en Griffin Hansbury, getiteld "Sissy Dance $1: The More and More of Gender" voor The Psychoanalytic Review, Vol. 109, nr. 3, september 2022. ‘More and more’ gaat in tegen een economie van behoud en schaarste en omarmt in plaats daarvan overvloed. Deze overvloed manifesteert zich ook in het vermogen om zowel het materiële als het symbolische lichaam tegelijkertijd te bevatten, zelfs als ze worden beschouwd als verschillende of tegengestelde betekenissen en functies. Overvloed is een belangrijk kader voor mijn werk geweest, zowel in mijn boek over herinneringscultuur en de (on)mogelijkheid om alles tegelijk te herdenken (Take 'Em Down. Scattered Monuments and Queer Forgetting), als in mijn tentoonstelling ABUNDANCE. We must end the world as we know it, geccureerd samen met Vincent van Velsen in Het HEM, Zaandam 2021.

2 Dit is een citaat uit Billie’s Bent Elbow: Exorbitance, Intimacy, and a Nonsensuous Standard (2025) van Fumi Okiji, uitgegeven bij Stanford University Press. Daarin viert zij het ‘specifieke spel in de ruimte van het onmogelijke’ als een Black practice: een vermogen om tegenstellingen naast elkaar te laten bestaan zonder te proberen ze te vermengen, te vereenvoudigen of met elkaar in verband te brengen. De dissonantie tussen tegengestelde ideeën, gevoelens en materialiteit hoeft niet te worden opgelost. Integendeel, door een soort gemak met ongemak te beoefenen, kan het onmogelijke bestaan zonder dat het een gespannen of verstoorde reactie oproept.

3 Deze vertaling komt uit Dis/Identification van Philipp Gufler, Kunsthalle Mainz, 2024. Ik geef de voorkeur aan Guflers vertaling uit het Duits boven de gepubliceerde Engelse versie: “My beard is a man's, my limbs and body virile; However, inside: I am and remain a female.” Ulrichs, Karl Heinrich. The Riddle of ‘Man-Manly’ Love: The Pioneering Work on Male Homosexuality. Vert. Michael A. Lombardi-Nash. Buffalo, N.Y.: Prometheus Books, 1994, p. 99. De oorspronkelijke tekst werd in het Latijn gepubliceerd in “Inclusia”: Sunt mihi barba maris, artus, corpesque virile, his inclusa quidem: sed sum maneoque puella. Dit werd in het Duits vertaald door Wilfried Stroh als: “Hab ich auch den Bart auch vom Mann, die Glieder, den Körper, das alles schließt mich von außen nur ein: Ich bin und bleibe ein Mädchen.” (In: Wolfram Setz (red.): Karl Heinrich Ulrichs zu Ehren. Materialien zu Leben und Werk. Wilfried Stroh, “Karl Heinrich Ulrichs als Vorkämpfer eines lebendigen Latein”, Verlag Rosa Winkel, 2000, p. 85.).

4 Ulrichs, Karl Heinrich. The Riddle of “Man-Manly” Love: The Pioneering Work on Male Homosexuality. vert. Michael A. Lombardi-Nash. Buffalo, N.Y: Prometheus Books, 1994, 23.

5 Ulrichs, The Riddle of “Man-Manly” Love, 25.